Aardstralen, wichelroedes en onze gezondheid
Dit zeldzame boekje verscheen kort voor de Tweede Wereldoorlog. Hier staat de volledige tekst opnieuw gezet, in de spelling van 1939. Bij elke bladzijde staat een link naar de originele scan.

Inleiding
Deze populaire verhandeling over het zooveel omstreden vraagstuk van „aardstralen” schadelijk op ons lichaam kunnen inwerken, bedoelt niet een wetenschappelijke verklaring van het begrip „aardstralen” te willen geven of zelfs maar een proeve van verklaring; evenmin maakt ze aanspraak op eenige literaire waarde.
Zij wil alléén de aandacht vestigen op het ongemeen groote belang van deze aangelegenheid door de onmogelijkheid te ontkennen verschijnselen en feiten, welke duidelijk en onomwonden in de meest klare taal spreken en getuigen van de mogelijkheid, de meest ellendige ziekten, welke het menschdom teisteren, met zéér eenvoudige middelen te voorkomen!
Schrijver dezes heeft in de jaren van zijn arbeid voor deze voor ons allen zoo onschatbare zaak, zóóveel ondervonden, dat waard is voor de toekomst bewaard te blijven; zóóveel bewijzen gezien en leed kunnen verhelpen, dat het gemoed tot berstens toe vol, deze regelen moest doen geboren worden.
Als men rustig, zonder vooropgezette gecompliceerde theorieën, aan de hand van de zichzelf geheel gelijkblijvende verschijnselen, tracht, zich een voorstelling te maken van wat eigenlijk beweerd wordt, dan wordt de zaak tamelijk eenvoudig.
Ons lichaam is een electro-magnetisch, met een bepaalde spanning geladen instrument. We mogen wel, als algemeen bekend en wetenschappelijk bewezen, aannemen, dat elk mensch een loopend en levend ontvang- en zendapparaat is.
De spanning van ons lichaam, ons hart, en zelfs van de huid, wordt tegenwoordig in onze medische laboratoria ook gewoon gemeten.
Nu lijkt het mij toch alleszins begrijpelijk dat dit lichaam, dit zoo uiterst gevoelig electro-magnetisch apparaat, aangedaan kan worden door spanningen die hooger of lager zijn dan die van het eigen organisme.
Wij kunnen ook vrijwel als zéker aannemen, dat de spanning van het electro-magnetisch veld, dat de aarde omgeeft, ongeveer dezelfde moet zijn als van ons lichaam, daar dit kan geboren worden en groeien in dit aardveld. Nu is het alwéér algemeen bekend en wetenschappelijk vastgesteld, dat in het electro-magnetisch aardveld spanningsverschillen optreden! (z.g. potentiaalverschillen).
Wat is nu eigenlijk eenvoudiger en gemakkelijker te begrijpen dan, dáár waar in het aardveld die storingen optreden, ook de spanning van ons lichaam verstoord wordt! Vooral als we ons er langen tijd achtereen in moeten ophouden, b.v. als we slapen of als we op school of op kantoor of werkplaats uren lang op dezelfde plek verblijven!
En hierop komt eigenlijk de geheele zaak neer!
Ik beweer namelijk niets anders dan dat er banen zijn, waarin een wichelroede in de handen van een daarvoor gevoelig persoon (dien men roedelooper noemen kan) begint te bewegen of „uit te slaan”.
Tweedens, dat wanneer iemand in die banen slaapt of lang verblijft z.a. op kantoor, werkplaats of op school, hij ziektesymptomen krijgt, die langzaamaan verergeren en tenslotte eindigen in een werkelijke kwaal, z.a. rheumatiek of bij sterke intensiteiten zelfs kanker!
Dat deze beweringen op waarheid berusten, werd bewezen in reeds duizenden gevallen hier in Nederland, waarop we verderop in dit werkje terug zullen komen, maar zóó duidelijk en onweersprekelijk juist, dat ieder die het bijwoont, overtuigd wordt, het zij mij minister, professor, dokter of ingenieur is (dit zijn in elk geval personen, wier critisch intellect hoog genoeg staat om aan hun oordeel waarde te hechten).
Van bijzonder belang is óók, dat de geschoolde en geoefende roedelooper zoowel den juisten loop en breedte der „banen” als hun intensiteit kan bepalen. Het is dan ook van groot belang, dat hij bepalen kan op welke plekken b.v. kanker zoowel niet als wel voor kan komen. En dit met groote juistheid!
Hiermede levert hij tevens het bewijs dat deze vreeselijkste en meest voorkomende aller ziekten werkelijk voorkómen kan worden, dus niet behoeft te bestaan!!
Deze gevolgtrekking lijkt kras, maar is het niet!
Immers zij is gegrond op een duizendvoudige ervaring!! En op wetenschappelijke, eerlijke, goed en streng gecontroleerde proefnemingen!! Bovendien vloeit zij vanzelf en geheel logisch voort uit de feiten. Dit hoop ik in de volgende bladzijden te bewijzen!
Let nu wel op! Ik beweer niet, dat kanker door de „aardmagnetische storingsbanen” wordt veroorzaakt! Zelfs ben ik vrijwel overtuigd dat de praedispositie aanwezig moet zijn; immers niet ieder, die in zoo'n zône slaapt, wordt slachtoffer. Maar vast staat dat daar, waar die banen niet loopen, of daar waar de intensiteit gering is, kanker niet voorkomt. Dus kan zij ook voorkómen worden door deze banen te vermijden of de storingen op te heffen!
En zoo is het óók met rheumatiek en met andere chronische aandoeningen; vooral ook zenuwpijnen!
Neen lezer, doe dit boekje nu niet dicht!
Er zijn toch waarlijk de laatste decennia wel onbegrijpelijker stellingen verkondigd en... wáár gebleken!
Wat zijn „Aardstralen”?
Over het wezen der „aardstralen” valt nog niet veel te zeggen. Het woord „aardstralen” is dan ook maar een voorloopige naam of meer een werkhypothese.
't Kunnen kosmische stralen zijn, die door bepaalde objecten zooals: water, erts, kolen, enz. worden teruggekaatst (Prof. Lakhofski, Parijs). De zuivere verticale richting pleit daar wel eenigszins voor, doch 't kunnen ook wel verdichtingen der aardstraling zelve zijn, terwijl men dan vanwege de sterke doordringingskracht aan verdichte gammastralen zou denken. Evengoed kunnen 't ook weer stralen zijn, die door 't tegen elkander liggen van verschillend uitstralende aardlagen, het verschil in potentiaal veroorzaken. In alle drie gevallen is er evenwel een verschil in de spanning in het magnetisch veld, dat de aarde omgeeft en 't kan m.i. best zijn dat dit verschil in spanning oorzaak zou kunnen zijn van ziekte-verschijnselen.
Drs. Postma schrijft in zijn publicatie in het Nieuwsblad v. Friesland onder den titel: De invloed van golven op sommige levensprocessen o.a.:
„Uitgaande van een serie proeven, die in meerdere boekdeelen beschreven zijn, heeft Lakhofski de volgende hypothese opgesteld:
Het leven is door de werking van golven ontstaan;
Het leven wordt door de werking van golven onderhouden;
Het organisme wordt ziek, of sterft door een storing van het golfevenwicht.
Mij lijkt dit logisch! Ook een lamp gaat stuk door te hooge spanning. De mensch, die zooveel gevoeliger is, zal zéér zeker géén andere spanning dan die waarop hij is ingesteld op den duur kunnen verdragen, zonder dat zijn „golfevenwicht” verstoord wordt. En dan wordt hij ziek, indien het verschil klein is en sterft indien het verschil groot is. Typisch is ook, dat juist dàt lichaamsdeel aangedaan wordt, dat zich „op de grens” bevindt, dus dáár waar de spanning vrijwel plotseling in een andere overgaat.
Als een bewijs voor de stelling van Lakhofski moge gelden, dat waar deze verschillen in spanning worden genivelleerd, (b.v. door een metalencombinatie die horizontale golven uitzendt,) de ziekteverwekkende invloeden verdwenen blijken.
En tòch is er niets anders gebeurd dan dat de verschillen in potentiaal worden genivelleerd, zooals men uit den grond opspuitende waterstralen kan smoren door een langs den grond gerichten contra-waterstraal!
Nu moet men mij niet in de schoenen schuiven, dat ik de wetenschap wil overtroeven. Niets is minder waar! Ik weet verbaasd goed dat ik maar een leek ben, zoowel in de geophysika als in de electro-techniek.
Maar ik toets alleen mijn praktische ervaringen aan de theorie van een wereldbekend en zéér wetenschappelijk onderzoeker zooals Prof. Lakhofski is, hopende andere onderzoekers daarmede van eenig nut te kunnen zijn. Voilà tout!
In elk geval werken de z.g. „aardstralenbanen” funest op ons in. Ons weerstandsvermogen verzwakt er door en ook 't bloed ondergaat een verandering, waarschijnlijk door inwerking op de klieren. Dr. Parisius in Halberstadt vond bij 42 patiënten die volgens een bekwaam roedelooper op „aardstralen of kruispunten” daarvan lagen, de P.H.-waarde van het bloed veranderd.
De waterstof-ionenconcentratie was bij allen toegenomen, terwijl de ziekteverschijnselen toch zeer verschillend waren, n.l. kanker, rheumatiek, hartkwalen, zenuwaandoeningen en een geval van koorts zonder bekende oorzaak. (Aanleg schijnt dus wel van veel belang te zijn.)
Waar we nu als overbekend mogen veronderstellen, dat „stralen” zeer schadelijk kunnen werken. (Röntgenstralen en ook hoogtezon, evenals de natuurlijke zon, brengen ons inplaats van genezing soms den dood) en dus de waarschijnlijkheid groot is, dat ook hier van stralen sprake is, zullen we voorloopig den naam „aardstralen” blijven gebruiken.
Aan de wetenschap echter wordt het opgelaten deze verschijnselen te verklaren, doch dat dit een ongemeen moeilijke taak is, staat vast. Wanneer zij ons het antwoord geven zal, weet niemand.
Als we nagaan, dat heden het wezen der electriciteit zelfs nog onbekend is, nadat we daar toch al zoovéél van weten en mee kunnen doen, is de waarschijnlijkheid groot, dat wij geen van allen de oplossing van het raadsel der „aardstralen” zullen beleven. Maar dit geeft de wetenschap niet het recht, zoolang zij de oplossing nog niet gevonden heeft, bedrog enz. te insinueeren. Dat is iets harer onwaardig en zéér beschamend, daar de feiten dan haar uitspraak een eenenmale logenstraffen!
Ik wil straks enkele van die feiten memoreeren. Eerst iets over de wichelroede. Veel behoef ik er niet van te zeggen. Sedert ik in 1935 mijn taak aanvatte en er allerwege in openbare lezingen en persconferenties de aandacht op vestigde, zijn er tientallen artikelen in alle bladen over verschenen en is de geschiedenis er van ieder bekend. Deze is dan ook zoo oud als de wereld. Wat het nieuwe echter baarde, was het verband tusschen de „aardstralen-banen” en daarin optredende ziekteverschijnselen.
Als men over de wichelroede spreekt, is alles nog in orde. Spreekt men van water vinden en metselwerken onder den grond of olie of erts, alles blijft rustig. Men vindt waardeering en bijval. Maar zoodra men er op m.i. veel belangrijker invloed namelijk de, het menschdom teisterende, kwalen komt, wordt de hemel donker en 't onweer barst weldra los. In 1935 reeds, direct na mijn eerste lezingen, kwamen de „geneeskundige medewerkers” van verschillende bladen en schreven openlijk van misdadig bedrog! (De Haagsche Post, 14 Dec. '35) en minderwaardige praktijken! (Dr. Berthold Stokvis in de Telegraaf van 12 Nov. '35) enz. (ook Dr. L. Heijermans noemde de kwakzalverij in de „Vooruit” van 28 Mei '36). En de donder rolt nog altijd voort. Zoo heeft het in een verhandeling van Dr. W. H. C. Tenhaeff van 16 Oct. '37 Sill. R. V. U. No. 296, nadat in Nov. '36 mijn brochure met mijn naam voluit in het Ned. Tijdschrift voor Paraps. gesignaleerd werd, dat fantasten en „gewetenlooze bedriegers” huizen onderzoeken en de plaatsen aanwijzen waar de menschen ziek worden en waardevolle apparaten aan den man brengen, met verwijzingen naar het artikel van Nov. '36, dus onmiskenbaar op mij doelende.
Typeerend is hier, dat de heer Tenhaeff in dezelfde verhandeling zonder schroom zegt, dat de Ver. v. Ps. R. deze zaak in studie heeft genomen en t.z.t. den uitslag er van bekend zal maken. Dus deze „parapsycholoog” veroordeelt reeds vóór het onderzoek heeft plaats gehad!! Dat is een prettig idee, vooral niet van de Ver. v. Parapsychologie, die toch de schakel moet vormen tusschen het concrete en het abstracte weten.
Men ziet het, de bliksem flitst heen en weer, maar typisch... hij slaat niet in! Want hij zoekt leugens te vernietigen en de feiten vertellen niets dan de waarheid. Dus werk ik rustig verder, wetende dat de groote dingen nooit gemakkelijk geboren worden en dat ik zegen de elementen, die zoo afdoende de aandacht op mijn werk vestigen, al is dit nu juist niet hun bedoeling.
We kunnen met de wichelroede veel ontdekken. Maar om „aardstralen” zuiver te bepalen en hun intensiteit te kunnen vaststellen is er een zekere scholing noodig. Immers vooral de intensiteit speelt een groote rol. De scala loopt van 1—16, in deze geest:
van 1—4 onschadelijk;
5—6 zwak schadelijk en eerst na langeren tijd schadelijk. Evenwel voor sterke gestellen nog onschadelijk te noemen;
7 en 8 schadelijk na korten tijd. Al naar den aanleg, rheumatiek (dit treedt wel het allereerste op), zenuwpijnen en naar men er zich met een bepaald lichaamsdeel in bevindt aandoeningen daarvan, z.a. hart-, maag-, lever-, darm- of blaasstoornis. Ook hoofdpijnen, soms gepaard met haaruitval;
9—10 en daarboven kanker, t.b.c., gewrichtsrheumatiek met soms geheele invaliditeit enz. al naar den aanleg en na korten of langeren tijd al naar 't weerstandsvermogen.
Waar twee of meer stralenbanen elkander kruisen is de intensiteit verhoogd. Zoo zijn dus de z.g. kruispunten bijna altijd gevaarlijk.
't Bepalen van de intensiteit speelt een groote rol, ook bij de proeven voor de Medische Wetenschap. Immers wanneer men z.g.n. kankerhuizen wil opsporen en men kan geen intensiteit bepalen, dan zijn haast alle huizen kankergevaarlijk, daar er maar weinig huizen geheel vrij van stralen zijn. Ik zou dan ook tot alle ongeschoolde roedeloopers willen zeggen, zich niet met „aardstralen” in te laten, daar zij veel stralenbanen vindende, veel meer onrust veroorzaken dan noodig is. Ik vind het van zóó'n belang dat men de intensiteit bepalen kan, dat ik reeds verschillende roedeloopers aanbood hun gratis de onschatbare en dure lessen door te geven, die ik in Beieren genoot; o.a. bood ik dit de geheele Vereeniging „de Wichelroede” aan.
Maar de meesten zijn gelijk kleine kinderen, die bang zijn hun speelgoed te verliezen, niet inziende, dat zij iets beters er voor in de plaats krijgen.
Wat nu het Roedeloopen zelf betreft, het volgende:
Aannemende, dat de roede begint te bewegen, dáár waar een potentiaal verschil bestaat, d.i. een verschil in spanning van het magnetische veld der aarde (en dit lijkt mij een eenvoudige en logische verklaring) is m.i. de roede niet anders dan de eenvoudige antennedraad, die in de handen van den roedelooper, geladen wordt met magnetische energie en daardoor op de verschillen in spanning (golven) evenzeer reageert als de antennedraad op ons dak op de radiogolven.
Vereischte is vanzelf, dat de mensch, die de roede hanteert, ook ingesteld is op dat „station”. Het precies zuiver „instellen” dat men met een radiotoestel moet doen, verricht de roedelooper door concentreeren of sensibiliseeren.
Ik hoop, dat ik het door deze voorstelling eenigszins begrijpelijk heb gemaakt. 't Is heusch zoo geheimzinnig niet. Maar het roedeloopen zelf is daarom niet gemakkelijk. Ik heb de ondervinding, dat 't het zenuwfluïdium uitput.
Als ik een huis onderzoek wil ik liefst niet weten, waar de bedden staan, vóór ik de „aardstralenbanen” in teekening heb gebracht. Ik wil liefst niets hooren wat er in zoo'n huis voor ziekten voorkomen. Eerstens vind ik dat overtuigender voor de bewoners, tweedens is elke gedachte aan eenige mogelijkheid storend voor den roedelooper. Ook vermoeidheid, en het roedeloopen is vermoeiend, moet vermeden worden. Onbewuste spierbewegingen kunnen parten spelen. Een geoefend en geschoold roedelooper zal daartegen waken en alles uitschakelen zoodra hij de roede ter hand neemt voor het experiment. Maar verstaat hij deze kunst, dan zijn de resultaten ook altijd doorslaand en overtuigend.
De eerste proef voor de Medische Wetenschap
die ik tot mijn groote vreugde mocht verrichten was in Friesland op uitnoodiging van Dr. J. van Dam te Rauwerd. Bekend en gewaardeerd kankeronderzoeker, die reeds op een proefschrift over kanker promoveerde, verschillende belangrijke publicaties over dat onderwerp in het licht gaf en ongeveer zijn geheele leven aan deze belangrijke studie wijdde. Deze proef ging onder zeer scherpe contrôle. Maar ik laat hier het officieele rapport volgen:
RAPPORT
Op initiatief van Dr. van Dam en in verband met de in de laatste jaren meermalen geopperde veronderstelling, dat er misschien eenig verband zou kunnen bestaan tusschen de aanwezigheid van „aardstralen” en het voorkomen van bepaalde ziekten, werd door den heer J. G. Mieremet, roedelooper te Wassenaar, in enkele dorpen in de gemeente Rauwerderhem een onderzoek ingesteld naar het voorkomen van de z.g. „aardstralen”. Dr. van Dam beloofde zijn medewerking in deze materie mits aan de volgende voorwaarden werd voldaan: de heer Mieremet moest alléén komen en zich bij zijn onderzoek te schikken, dat hij, zoodra hij in deze gemeente was, zich onder scherpe contrôle stelde, dat hij niet alléén uitging, doch altijd door één in alle opzichten vertrouwd persoon werd vergezeld.
De heer N. L. J. Zillinger Molenaar, arts te Rauwerd, sinds jaren aldaar woonachtig, de heer G. van Essen, onderwijzer, tijdelijk te Rauwerd en de heer S. Jensma, veehouder te Poppingawier, stelden zich voor deze contrôle beschikbaar.
Door Dr. van Dam werden van drie dorpen of gedeelten daarvan kaarten in duplo gemaakt. Op beide werden alle woningen in de te onderzoeken streken aangegeven.
Op één stel kaarten teekende Dr. van Dam de woningen, waarin ziektegevallen (kanker) voorkwamen aan. Deze werden achter slot geborgen.
De andere kaarten werden aan den heer Mieremet ter hand gesteld met het verzoek daarop het verloop van de „aardstralen” aan te geven.
In een op heden, den 7en October 1936, gehouden bijeenkomst verklaarden, vóór werd overgegaan tot vergelijking der kaarten, de bovengenoemde heeren, die allen aanwezig waren, dat de heer Mieremet zich aan de gestelde voorwaarden heeft gehouden en niemand inlichtingen in deze zaak heeft gevraagd.
Misschien ten overvloede zij nog opgemerkt, dat de heer Mieremet, toen hij hier aankwam, niet wist in welke dorpen hij moest onderzoeken en nooit in Friesland was geweest.
w.g. Dr. J. VAN DAM. Dr. N. L. J. ZILLINGER MOLENAAR S. JENSMA G. VAN ESSEN
*) Deze gegevens waren ontleend aan den Burgerlijken Stand over 'n tijdvak van bijna 50 jaren, n.l. de overlijdensbiljetten en adressen van hen, die aan kanker waren gestorven (doodsoorzaak op de biljetten vermeld).
Bij het vergelijken der kaarten bleek:
1e. Kankergevallen kwamen nagenoeg uitsluitend voor in de door den heer Mieremet als bestraald aangegeven huizen. Door deze huizen liepen zware stralen of kruisingen van stralen. De sterkte der stralen, door den heer Mieremet met een aparte wichelroede gevonden, wisselde van 5—10 (10 was sterkste bestraling).
Van 64 woningen waren er 46 zwaar bestraald. Op een zwaren straal in een dorp, die door 8 woningen liep, kwamen 7 kankergevallen voor. In een ander zestal woningen liep de zware bestraling juist over de bedden van de patiënten. Alle stierven aan kanker.
2e. Uit de kaarten bleek verder, dat in vele andere kruisingen geen kankergevallen bekend waren, zelfs, dat in enkele huizen, waardoor een zware straling ging, geen kanker was geweest.
Wij meenen, omdat „aardstralen” voor ons voorloopig niet meer kunnen zijn dan een hypothese, dat het resultaat van dit onderzoek nog geen conclusies te mogen trekken.
Wij hopen, dat deze mededeelingen ook anderen mogen aansporen een dergelijk onderzoek te doen, waarbij het noodig zal zijn, met vele factoren, als b.v. leeftijd, duur der bewoning, constitutie, erfelijke momenten en nauwkeurige controle van doodsoorzaken rekening te houden en stellen ons voor, in verband met ervaring op ander gebied (veeziekten) later op deze zaak terug te komen. Behooren de aardstralen misschien ook tot „the many things between heaven and earth, that men may ever have dreamt of”?
Rauwerd, October 1936. (w.g.) Dr. J. VAN DAM.
Dat er ook huizen zijn waar „harde” stralen doorgaan zonder dat daar kanker is geweest, is alleszins begrijpelijk. Immers, de bedden staan niet overal en in soms zijn de huizen niet lang genoeg door dezelfde familie bewoond geweest. Maar men ziet, het zijn uitzonderingen, b.v. bij A, zooals bij het na-onderzoek bleek, lagen de ingebouwde bedsteden juist tusschen de „aardstralen” in, bij B en C waren de bedden er eveneens niet in. In dit dorp zijn door mij ongeveer 24 huizen als kankergevaarlijk aangegeven. Het aantal onderzochte huizen bedraagt veel meer dan honderd. Dat in 50 jaren kankergevallen uitsluitend in de 24 zijn voorgekomen, is zeer welsprekend.
Wij laten hier een afdruk volgen van een der dorpen. Zéér opmerkelijk is, dat waar zwakke stralen loopen en waar géén bestralingen zijn, ook géén kanker is geweest. Waar dit onderzoek een tijdperk van 50 jaren bestrijkt, is dit m.i. een zéér positief resultaat.
Proeven en gevallen uit de praktijk

Een andere belangrijke proef werd door mij gedaan voor Dr. J. J. Reinking te Zwolle. 't Ging om twee ziekenhuizen, waarvan één een veel hoogere trombose frequentie had, dan 't ander. Dit was zoo al jaren. Bedoelde geneesheer meende, dat, indien de „aardstralen” theorie opging, ik zou moeten kunnen aanwijzen, welk ziekenhuis het gevaarlijkste was. Natuurlijk was ik zéér verheugd deze proef te mogen doen. Mij werd niet medegedeeld, waar ergens deze ziekenhuizen lagen. Pas in de auto op weg er heen werd mij dit bekend gemaakt. De eerste rit ging naar R., 20 K.M. Z.O. van Zwolle. Het gebouw was zwaar „bestraald”. Een „aardgasstrook” van 7 M. breed, ging er in de lengte doorheen, gekruist door eenige smallere „aardstralen” banen. Overtuigd zijnde, dat dit het „trombose-ziekenhuis” (men vergeve mij deze terminologie) was, zeide ik dit tegen Dr. R. Hij antwoordde mij dat ik het dezen keer toch eens mis had! Ik zei: „dan laat U mij 2 „trombose-ziekenhuizen” onderzoeken, dokter!”
's Middags ging de reis naar H., 40 K.M. N.O. van Zwolle. Dit gebouw was bijna niet „bestraald”. Het verschil was ongeveer zoo, dat in R. maar twee kamers veilig waren, terwijl in H. maar twee kamers „bestraald” waren. Toen ik Dr. R. na afloop vroeg, welk gebouw het gevaarlijkste was, antwoordde hij: „ik wilde het U van morgen niet zeggen, maar gij hebt gelijk, het is R.”!!
Dr. van Dam, aan wien ik deze proef mededeelde, op een keer in Zwolle zijnde, is eens bij zijn collega aangegaan en heeft bij die gelegenheid uit zijn eigen mond vernomen, dat het precies en volkomen klopte.

Na de proef zegde Dr. R. mij toe een rapport en een uitnoodiging om voor den kring aldaar te komen spreken. Men begrijpt dat ik daar verlangend naar uitzie.
Zondag 24 October '37 was ik in Friesland. Dr. van Dam verzocht mij een huisje in het dorp Idaard (waar ik nooit geweest was) te willen onderzoeken. Een jonge collega uit die streek, die nog zeer sceptisch tegenover 't vraagstuk stond, zou de proef bijwonen. Het eerste huis waar ik binnen ging, bleek druk „bestraald” te zijn. Nochtans was er maar één kankergevaarlijk kruispunt niet meer dan een vierkante meter, vallende juist in één van de 4 ingebouwde bedsteden. (×) Inderdaad was hier een kankersterfgeval gesignaleerd. Dr. van Dam had het geval evenwel niet behandeld, dus wist hij niet waar de patiënt geslapen had. Zijn jongere collega was nog te kort in de streek gevestigd en wist het dus ook niet. Toen bracht de bewoner uitkomst. Hij vertelde, dat zijn vader aan kanker was gestorven en altijd had geslapen in de bedstede, die ik als kankergevaarlijk had aangegeven. Ik denk wel dat de jonge collega van Dr. van Dam nu bekeerd is.
Zoo zijn er honderden gevallen. In den Haag onderzocht ik b.v. de Prins Mauritsschool, op verzoek van den Heer Kamp, tijdelijk hoofd der school. 't Was gedurende de Paaschvacantie. In een bepaalde klas kwam ik een 8 tal harde „aardgasbestraling” van 4 M. breedte. 't Geheele looppad van den onderwijzer en een paar rijen banken waren er door „bestraald”. Het z.g. „aardgas” wordt volgens de theorie veroorzaakt door een ander object dan water: vermoedelijk kolen of olie. Maar het heeft een typisch kenmerk. 't Veroorzaakt n.l. naast vele andere aandoeningen vooral asthma. Ik deelde mijn gedachtengang mede aan den Heer Kamp en zei hem: „'t is goed dat de onderwijzers veel van klas verwisselen, want indien er hier iemand lang was, zou hij asthma kunnen krijgen.” De Heer Kamp toonde zich zéér verbaasd en verrast. Hij sprak: „wel, dit is juist de eenige klas, waarvan de onderwijzer niet verwisselt. Deze staat hier al 8 jaren!” „En...?” vroeg ik. „Welnu”, zei hij, „hij heeft inderdaad al 5 jaren asthma!”
Ik vond het natuurlijk raadzaam een andere klas voor hem te zoeken: „Vond ik misschien een die totaal vrij was”. Toen ik dit den Heer Kamp mededeelde, was hij opnieuw verrast en vertelde mij, dat in die zwaar „bestraalde” klas de kinderen steeds vaak ziek waren, soms 40 absenten per dag. Bij den overgang gingen de kinderen juist naar deze „stralen-vrije” klas. Nu had het onderwijzend personeel het samen zoo opgemerkt, dat het zoo opmerkelijk was, dat er bij dezelfde kinderen, die het vorig jaar telkens ziek waren, dit jaar bijna geen enkele ziek was!!!
Een huis onderzoekende in Delft bij Mej. Termaat, vond ik bijna geen schadelijke „stralen”. Mej. T. vertelde mij evenwel, dat zij hevig rheumatiek in de voeten had. Denkende aan mijn ervaringen met kantoren, scholen en andere plekken waar men zich overdag soms uren op bevindt, vroeg ik haar, wat zij overdag deed. Zij zeide onderwijzeres te zijn. „En, hoelang staat U nu achtereen in dezelfde klas?” vroeg ik. „Drie jaren”, antwoordde Mej. T. „Dan zullen we de school eens gaan bekijken”, zei ik. Vóór haar klas, juist in de baan waarin de onderwijzeres zich 't meest bevindt, liep een harde straling sterkte 9! Daar er in die school enkele klassen niet meer gebruikt werden (de Openbare school aan de Verwersdijk) zocht ik er een uit die practisch „vrij” was. Haar verzoek aan het Hoofd der school van klas te mogen verwisselen was oorzaak van veel hilariteit onder haar collega's, maar zij kreeg toestemming en verhuisde naar de andere klas. Eenige maanden later ontmoette ik Mej. T. weer. Verheugd vertelde zij mij, dat haar collega's niet meer lachten, want zij liep reeds 3 weken zonder pijn!
Bij Prof. Ir. v. M. B. te V. liep de grenslijn van een „straling” sterkte 8½, juist over de borst van beide echtgenooten. De Prof. had een hartkwaal gekregen, zijn echtgenoote was aan de borst geamputeerd. Een „straling” sterkte 5 ging over het bed (middenrif) van een kind. Op de vraag van Prof. v. M. B. wat dat ten gevolge kon hebben, zei ik hem: „Geen kwaal, maar een eenvoudige zenuwaandoening, die spoorloos verdwijnt zoodra het bed wordt verplaatst.” „Klopt”, zei Prof. „Mijn dochtertje komt er elken nacht uit... slaapwandelen”. Een ander dochtertje van plm. 17 jaar stond er bij en riep uit: „Maar Pa, toen ik daar sliep had ik toch hetzelfde! Ik kwam er ook elken nacht uit en nu niet meer!” 't Bleek, dat haar bed nu „vrij” stond.
Prof. v. M. B. was zeer getroffen en zei schertsend: „Ik ga reclame voor U maken, mijnheer Mieremet!”

Zoo was 't ook dezer dagen nog bij Prof. Dr. J. G. Rutgers te Den Haag. Door dit huis liep maar één „stralenbaan” van 1 M. breed, sterkte 7 plus. 't Bleek dat de grenslijn daarvan de lits-jumeaux dwars sneed op buikhoogte. Buik en beenen lagen er in; borst en hoofd waren vrij. Op de vraag wat hier nu door kon ontstaan, kon ik antwoorden: „Géén kanker en géén t.b.c. maar wel buikkwalen en ook spit en ischias, op den duur ook rheumatiek in heupen en beenen.” Prof. R. en zijn echtgenoote waren zéér verrast want juist lagen daar 19 jaren en leden beiden aan buikaandoeningen, in vrij hevige mate; bovendien hadden zij spit en ischias en rheumatiek in de beenen!! Hoofd en borst hadden bij beiden nooit reden tot klachten gegeven.
Mij dunkt exacter kan 't toch niet.
Zoo was het ook o.a. op den Duin en Kruidberg bij de fam. Cremer in Santpoort. Daar kon ik precies de plek aanwijzen waar onze oud-minister aan kanker was bezweken, hoewel ik de plaats geen bed te zien was en de gevaarlijke plaats maar 2 vierkante meter groot.
Ook bij den Weled. Gestr. Heer Mr. H. E. v. IJ., President van de Arrond. Rechtbank te Zutphen was het zeer treffend. Door de ruime binnenkamers liep één baan van plm. 120 cm. breed. Sterkte 8½. Boven deze kamer bleek zich een logeerkamer te bevinden. Toen wij later op verzoek van den Heer v. IJ. boven kwamen, bleek daar een lits-jumeaux te staan en wel zóó, dat de ééne helft (links) zich juist geheel in de „bestraling” bevond. Op de vraag van den Heer v. IJ. en waarvoor het permanent beslapen van die „bestraalde” helft gevaar kon opleveren, antwoordde ik, dat behalve zware gewrichtsrheumatiek ook kanker het treurige gevolg kon zijn, al naar de praedispositie van den eventueelen beslaper. „Maar,” voegde ik er aan toe, „waar het hier een logeerkamer is, behoeft U geen vrees te koesteren, want logé's blijven niet lang genoeg om eenige blijvenden hinder te ondervinden.” „U vergist U,” sprak daarop de Heer v. IJ. „Ik woon in dit huis 24 jaar en de eerste 9 jaren hebben mijn vrouw en ik in deze kamer en in deze bedden geslapen. Mijn vrouw sliep links, dus „bestraald” en... is toen ook aan kanker overleden.”
Dat de Heer v. IJ. zeer getroffen was, behoef ik wel niet te zeggen.
't Was in December 1937 dat men mij verzocht het huis te onderzoeken van de fam. Henny te Oegstgeest. De heer H. en ik kwamen gelijk voor de deur aan, en vóór hij den sleutel in het slot stak, had de heer H. mij reeds openhartig gezegd, dat hij er nog niets van geloofde en dat ook niemand iets mankeerde, maar dat er zooveel over geschreven werd wilde hij toch wel eens weten hoe 't in zijn huis met de z.g. „stralen” gesteld was. 't Vond het een ruim standpunt want: „er niets van gelooven” en „niemand iets mankeeren” en dan tóch het honorarium voor 'n onderzoek te willen betalen, geeft blijk van ruime opvatting en het openstaan voor nieuwe dingen.
Toen we de woning binnentraden, werden we begroet door 'n klein meisje van plm. 2½ jaar dat met de ampjes wel speelgoed kwam toonen. 't Viel mij op dat de kleine erg bleek zag met roodomrande oogjes en dikke wallen er onder. Hoewel de heer H. mij verzekerd had dat niemand iets mankeerde, kon ik niet nalaten te zeggen: „Maar deze kleine slaapt vast bestraald.” De heer en mevrouw H. (die intusschen ook naderbij gekomen) beiden en de onderzoek beneden, dus zonder 'n bed te zien of iets van de bovenverdiepingen lagen. Zwaar „bestraald” was 't huis niet. Maar in een hoek van een der kamers kruisten zich 2 banen. Dus waarschuwde ik voor die plek en had intusschen de schets op de juiste schaal klaar.
De heer H. verzocht mij om boven even te kijken hoe de bedden precies stonden, en toen bleek dat 'n kinderbedje juist boven de plek stond die beneden als gevaarlijk was aangegeven, en wel 't bedje van de dreumes, die ik beneden even had gezien had.
De heer H. vroeg mij hoe 't mogelijk was dat 'k dat direct bij m'n binnenkomen al aan het kind gezien had. Inderdaad kan men niet alle aandoeningen op „aardstralen” terugvoeren, daar bij volwassenen ook andere invloeden 'n rol spelen, z.a. zorgen, verdriet, te veel rooken, eten, drinken e.a. oorzaken, maar bij een kind van 2½ jaar is dat niet het geval. Dat kent nog geen zielsconflicten of zorgen, alleen ondervoeding of slechte verzorging kunnen oorzaak zijn en deze oorzaken waren hier onmogelijk.
'k Vroeg wat de kleine mankeerde, en de heer H. sprak: Uitermate slecht slapen en zeer onrustig. Alles wat we maar doen is tevergeefs, niets helpt.
Toen zei ik: „'t doet me plezier dat U, die er nog zoo sceptisch tegenover stond, 'n overtuigend bewijs hiermede zult kunnen krijgen, want we verzetten 't bedje van Uw kleine en U zult de verandering onmiddellijk opmerken. Zelfs suggestie kan hier geen rol spelen, omdat de kleine niets van dit alles weet, of begrijpen kan.”
De heer H. beloofde mij na 14 dagen de resultaten te zullen mededeelen. Dit duurde evenwel geen 14 dagen, maar 6 weken.
Dit kwam doordat hij persé wilde zien of de verandering ook blijvend was. Den 22sten Januari 1938 kreeg ik toen een schrijven van hem van den volgenden inhoud:
Zeer Geachte Heer Mieremet,
Nu al eenige weken verloopen zijn sedert U mijn woonhuis onderzocht op „aardstralen” en U mij naar aanleiding daarvan aanried het bedje van mijn jongste dochtertje te verplaatsen, is het mij een genoegen U als een feit te kunnen mededeelen, dat dochtertje, oud 2½ jaar, dat vóór Uw bezoek elken nacht zeer onrustig sliep, na het verplaatsen van haar bedje thans elken nacht rustig slaapt en er daardoor waarschijnlijk ook beter is gaan uitzien.
Mijn vrouw en ik prijzen ons dan ook gelukkig van Uwe diensten gebruik te hebben gemaakt.
Hoogachtend, w.g. J. W. HENNY.
Dat dit bericht mij verheugde, behoef ik niet te zeggen, temeer waar de Heer H. 'n zeer vooraanstaand journalist en tevens Directeur van een bekend dagblad.
Op uitnoodiging van de Vereeniging voor Dierenbescherming zou ik den 27 Mei 1938 op de Algemeene vergadering dezer Vereeniging 'n voordracht houden. Dientengevolge verzocht mij de Heer Kuypers, redacteur van het Maandblad zijn woning te 's-Graveland te onderzoeken. Toen ik korten tijd daarna daartoe in de gelegenheid was, bleek dat de heer Kuypers een huis bewoonde en dat dit betrekkelijk rustig lag. Alleen in één der kamers, liep een harde bestraling met een kruispunt op een plek in een portaal waarboven 'n niet meer in gebruik zijnde bedstede lag — (Dit hoorde ik later pas, daar ik die bedstede begrijpelijkerwijze niet kon zien). Dat kruispunt was kankergevaarlijk. Dus sprak ik als mijn vermoeden uit, dat er ter plaatse, indien vroegere bewoners van die bedstede gebruik hadden gemaakt, kanker moest zijn geweest. De heer K. bleek daarvan niets te weten, maar beloofde mij er naar te zullen informeeren.
28 Juni 1938 ontving ik van hem een schrijven, waaruit ik het volgende citeer:
„Voorts vernam ik van een ouden tuinman, die ons huis ruim plm. een halve eeuw geleden al heeft gekend, dat de moeder van den vorigen eigenaar aan borstkanker is overleden en dat zij en haar man hebben geslapen op de bewuste bedstede, waar zich, volgens Uw aanwijzing, in de bedstede het gevaarlijke kruispunt moet bevinden. Of zij in deze bedstede heeft geslapen, wist de man niet te zeggen, maar, „dat kan best, want het waren ouderwetsche menschen”.
In het Maandblad voor Dierenbescherming No. 7 en 8, Juli—Augustus '38, bladz. 98, kan men in een artikel van den heer Kuypers de bevestiging van een en ander bovendien nog lezen.

Bovenstaand de woning van de familie Graaf van Limburg Stirum, Raamweg 42a, te Den Haag.
Gravin van L. S. verzekerde mij vooraf, dat niemand ziek was en het onderzoek slechts uit voorzorg werd gedaan.
Ik vond evenwel alle drie bedden in een, zij het niet zeer harde, bestraling en mijn verwondering steeg nog meer, toen ik vernam, dat de familie daar al tien jaar woonde en de bedden zoowat altijd zoo gestaan hadden.
Toen ik mijn verbazing uitsprak, lachte Mevr. van L. S. en sprak: „Och, ik heb U maar willen foppen, want wij zijn eigenlijk altijd lijdend.”
Ongeveer een jaar later Mevr. van L. S. weer ontmoetende, verzocht zij mij, haar naam óveral te willen noemen, want sedert de bedden verplaatst waren, had niemand meer iets gemankeerd!
Zeer dankbaar voldoe ik hiermede aan haar verzoek.
29 November 1938 werd per telefoon verzocht den volgenden dag een flat te onderzoeken van Mevr. de L. in het centrum van Den Haag.
Toen wij ons op den gevraagden tijd daar vervoegden, bleek alleen de dienstbode thuis te zijn. Deze deelde ons mede, dat Mevr. de L. uit was en wij maar vast met het onderzoek zouden beginnen.
Gedurende het onderzoek bleek ons, dat het bed zwaar bestraald was (zie foto) en toen wij gereed waren en Mevr. de L. nog niet thuis was gekomen, heb ik de dienstbode gezegd, dat ik de teekening gaarne persoonlijk wilde toelichten, daar de slaapplaats veranderd moest worden, vanwege het gevaar van kanker. Zij beloofde het aan Mevr. de L. mede te zullen deelen.

Groot was echter mijn verbazing, toen ik denzelfden avond werd opgebeld door Dr. R. Weekhout, die verklaarde zóó getroffen te zijn door de teekening van de flat van Mevr. de L., dat zij zich genoodzaakt voelde mij mede te deelen, dat Mevr. de L. niet uit was om boodschappen te doen, maar in het ziekenhuis lag om vanwege kanker geopereerd te worden. Men had mij uit voorzorg hiervan onkundig gelaten.
Bovendien vertelde Dr. R. W., dat het zéér frappant was dat de vorige bewoonster van die flat eveneens kanker had gekregen!
Ook Dr. van Dam schrijft verder o.a. nog in Vox Medicorum:
De vrouw van een kennis van mij, een scepticus, maar absoluut betrouwbaar, sliep door rheumatische pijnen altijd slecht; op advies van Mieremet is haar bed verplaatst, nu ongeveer een jaar geleden, sinds dien heeft zij nooit meer pijn gehad en slaapt best.
Een collega schrijft mij over zijn zoontje van 8 jaar, dat „bestraald” sliep en iederen nacht zoowat om 1 uur huilend naar beneden kwam; uit de bestraling gezet, sliep hij den eersten nacht tot 8 uur en nu sedert maanden geregeld tot 7 uur; nu zou je natuurlijk contrôle-proeven moeten nemen en hem weer eens bestraald moeten laten slapen, misschien gebeurt dat nog! Een zelfden raad heb ik mijn vriend, zooeven genoemd, gegeven, probeer het nu weer eens op de
oude plaats. Antwoord: Ja, dat zou wel kunnen, maar ze wil niet! Dezer dagen ontmoette ik hem toevallig weer en hij vertelt mij: „Door huiselijke omstandigheden heeft mijn vrouw toch weer een paar nachten op de oude plaats geslapen, met het gevolg, dat ze den tweeden nacht niet slapen kon van de pijnen!!
Een andere collega schrijft mij: Mijn moeder, een altijd kerngezonde vrouw, nu 66 jaar, is sinds 3 jaar in huis en nu herhaaldelijk ziek, verkouden, bronchitis enz. Toevallig kwam ik met den Heer Mieremet in aanraking; het huis is onderzocht, moeder bleek veel bestraald te liggen; het bed werd verplaatst, moeder is bijna nooit meer ziek! Moeder is iemand, die heelemaal niet gelooft aan aardstralen en ook niet suggestief; vermoedelijk moet men hier wel waarde hechten aan de verplaatsing van het bed, maar overigens geloof ik, dat men op het oogenblik te veel waarde wil hechten aan de z.g. aardstralen.
Interessant is een geval, dat ik nauwkeurig kon volgen; het betrof een gehuwde vrouw, die al en toe kwam met rheumatische pijnen en gewrichtszwellingen, oorzaak onbekend, gebruikelijke therapie had geen succes, alleen met hoogfrequentenstroom kon ik haar tijdelijk helpen; dit voorjaar is de woning onderzocht, zij kreeg den raad haar bed op een andere onbestraalde plaats te zetten, dit is gebeurd en zij heeft nooit meer bezwaren gehad!
Zooals ieder veehouder weet, aldus vervolgt Dr. van Dam, hebben paarden, wanneer ze in een stuk land, een finne b.v. zijn, de eigenaardige gewoonte, dat er nagenoeg altijd slechts een bepaald gedeelte, meestal zeer scherp afgegrensd, afgrazen. Dat grazen ze kaal en nog eens weer kaal en de rest, al ziet het er nog zoo aanlokkelijk uit, laten ze staan.
Op mijn verzoek onderzocht de heer Mieremet een stukje land, dat ik zeer zorg had uitgezocht; het gras was overal gelijkmatig opgegroeid, er was een poosje geen vee in geweest en nergens was bovendien eenig spoor van faecaliën meer te vinden. De heer M. doorkruiste, terwijl ik met den boer, die het land kende, op den weg stond, het land in alle richtingen en toen hij na een poosje terugkwam, vroeg ik: „Wilt U den heer R. eens vertellen of U ook iets bijzonders in dat land gevonden hebt?”
Tot groote verbazing van den boer zei de heer M.: „U hebt mij straks wel een poosje bij dien greppel zien staan, een eind van Uw huis af. Welnu, op dien greppel staan de paarden altijd te grazen, nooit gaan ze verder, want dan komt de bestraling die er langs loopt. Van dien greppel af tot aan Uw huis kunnen de paarden vrij zeker nooit zien weiden en ook niet op die uitstekende punt aan onze rechterzijde. U zult ze dus uitsluitend in het middengedeelte van het land zien.”
De boer zei: „Hoe is het mogelijk, dat U dat zoo precies kunt weten, want het komt volkomen uit.”
We stonden nog een poosje aan den weg te praten, toen de heer Mieremet plotseling zei: „Het is maar goed, dat hier geen huis op dit stuk grond staat, want dat zou erg gevaarlijk zijn
voor blikseminslag,” waarop de boer, na even te hebben nagedacht, zei: „Nu wordt het mij al te gek geleerd, want nu herinner ik mij, dat er, toen ik nog een schooljongen was, op dit stuk land een boerenplaats stond. In die plaats is tweemaal de bliksem ingeslagen en den tweeden keer is zij totaal afgebrand en niet weer opgebouwd!”
En in het Vaderland van 9 Dec. '36 eindigt Dr. van Dam zijn beschouwingen met deze woorden: „Ja, toen stond ik weer eens een keer perplex. Gedachtenoverbrenging kan geen rol van beteekenis hebben gespeeld, omdat ik bij het onderzoek zelf niet aanwezig was en vele feiten mij niet bekend waren, bewust niet en onbewust niet.
Nu kan men wel decreteeren, er zijn geen „Aardstralen”, mij wel, maar dan vraag ik: „Wat is er dan wel?!”
Tot zóóver Dr. VAN DAM.
van sommige gevallen, zooals in Middelburg aan de Rouaansche kade, waar ik een huis onderzocht voor Dr. Litt. F. aldaar. Dat huis was 22 M. diep, dwars oversneden door enkele „stralenbanen”. Op één sterke bestraling (9) van 1.20 M. breed, stond een bed in de lengte. Daarin was de oudste dochter des huizes aan kanker overleden. De jongste dochter is er daarna gaan slapen, in 1932. Zij is dit voorjaar eveneens aan die vreeselijke ziekte bezweken, dus in 4 jaren tijds ook dit leven verwoest. Hadden de ouders deze verschrikkelijke plek gekend en vermeden, hoe onnoemelijk veel leed zou voorkomen zijn geweest.
Zoo was het ook bij onze bekende tooneelspeelster Ali Tartaud-Klein. Zij sliep in een kankergevaarlijk kruispunt sedert zij haar laatste woning aan de Schieweg te Rotterdam had betrokken en in de 5 jaren had de vreeselijke ziekte reeds haar werk volbracht. Enkele maanden nadat het huis door mij was onderzocht, werden beide borsten geamputeerd en deze krachtige vrouw, die tot haar 59ste jaar nooit ziek was geweest, overleed na de operatie.
Ook bij Ali van Wijhe-Smeding was ik te laat. Haar bed stond volkomen vrij, maar de plek, waar zij den geheelen winter haar romans zat te schrijven, was een kruispunt, waar zij met de rechterhelft van haar lichaam in zat. Hoewel zij zich nadat haar bureau was verplaatst heel veel beter gevoelde, hetgeen zij in een brief aan een wederzijdsche kennis in warme woorden schreef, bleek de operatie aan de rechterzijde toch noodzakelijk. Zij overleefde deze operatie niet. Ook hier was ik te laat!
Telkens als ik zoo iets meemaak, voel ik wat vele ontstellend hoog belang mijn werk is. 'k Zou 't dan wel van de daken willen roepen! Jammer is 't dan ook dat mijn verzoek om een radiorede te mogen houden, door den Heer Vogt van de A.V.R.O. werd afgewezen, hoewel het verzoek was mede-onderteekend door 14 namen, waaronder van de hoogste families van ons land. Als reden werd opgegeven: „Niet wetenschappelijk genoeg gefundeerd”.
't Was natuurlijk dom van mij niet te hebben geweten, dat „Wetenschappelijke fundeering”, uitgaat boven hoog menschelijk belang, en dat alles wat door de studio's tot ons komt „wetenschappelijk gefundeerd” is, wist ik óók niet.
'k Had zoo gaarne gezien, dat in deze ontzaglijk belangrijke zaak, waar zich momenteel zoo vele wetenschappelijke personen van grooten naam mee bezig houden, 't welk ik den Heer Vogt had medegedeeld en literatuur bijgevoegd, onze A.V.R.O. een ruimer standpunt zou hebben ingenomen.
Enfin... wellicht later!
Een zeer aangename herinnering heb ik evenwel aan het onderzoek van het huis in Wassenaar van onzen Gezant te Parijs, Zijne Excellentie Jhr. Dr. J. Loudon.
Getroffen door het verrassende resultaat sprak hij: „Uw arbeid is met geen goud te betalen.” En toen ik hem lachend antwoordde, dat inplaats goud, soms véél minder aangename dingen mijn deel waren, greep hij mijn hand en mij vast aanziende, sprak Zijne Excellentie: „VOLHOUDEN! MIJNHEER MIEREMET EN NAMEN NOEMEN!”
Dit krachtige woord uit den mond van deze grootsche figuur, is mij vaak in moeilijke momenten tot grooten steun geweest.
'k Wil nog één treffend geval mededeelen, waar als getuigen bij waren de Heer Wouda, Dir. der meelfabrieken te Sneek, de Heer Jorretsma, eveneens aan de fabriek verbonden en de Heer van Essen, onderwijzer, tijdelijk te Rauwerd. Het betreft de boerderij van den Heer Dijkstra te Oppenhuizen (Fr.). Stallen en woonhuis waren druk- en hier en daar „hard” bestraald.
Toen de teekening klaar was, sprak de Heer Dijkstra: „Als de Heeren nu eens mee naar binnen willen gaan, dan zullen we de teekening eens op tafel leggen en dan heb ik wat te zeggen.”
En hij vertelde van 'n 33 jaar geleden tot heden de geschiedenis van de familie, de ziekten van vader, van hemzelf, van een dienstbode, die zwaar rheumatisch was geworden, van een knecht, die een hevige nierziekte had gekregen, vervolgens van kalveren, die op een bepaalde plaats doodgingen, van een stier, die onverklaarbaar was gestorven, van een paard, dat 's nachts altijd nachtmerrie had, terwijl het paard daarnaast altijd rustig was.
Al deze plekken waren kruispunten, of „harde” enkele stralen, en klopten zéér precies met de stralenbanen.
En tenslotte toonde hij ons een gans, die lag te broeden en tweemaal alle eieren had versleept naar een andere plek, n.l. van x1 (in de bestraling) naar x2 (nog in de bestraling) en tenslotte naar x3, waar het dier was blijven broeden; eerst op x3 lag de gans „vrij”!! (of zou dit dier óók tot de gewetenlooze bedriegers behooren, Mijnheer Tenhaeff?)
Wat de feiten leeren

Men ziet het is reeds overtuigend raak. En de feiten herhalen zich alle dagen steeds weer. Hier zijn dus zéér veel bewijzen (waarbij het toevalscijfer geheel en al is uitgesloten, daar de treffers méér dan 90 pCt. bedragen) dat van sommige „stralenbanen”, die uit den bodem verticaal omhoog stijgen, ziekteverwekkende invloeden uitgaan, die de meest ernstige en noodlottige gevolgen kunnen hebben.
Tevens dat we deze met een bepaalde wichelroede kunnen ontdekken, precies omlijnen en de intensiteit bepalen.
't Staat voorloopig nog niet vast, dat „aardstralen” ziekten veroorzaken. Ze wekken ze evenwel beslist op, daar ze buiten de „stralenbanen” niet voorkomen.
Waarschijnlijk moet de aanleg in kiem aanwezig zijn, terwijl het weerstandsvermogen eveneens een groote rol speelt.
Ook kunnen we weer niet álle ziekteverschijnselen op „aardstralen” terugvoeren. Want zieleleed, zware zorgen of excessen in elken vorm kunnen ziekelijke aandoeningen in de hand werken.
Maar dat er verband bestaat tusschen de „aardstralenbanen” en kwalen, zooals asthma, rheumatiek, t.b.c., kanker en zeer veel andere tot heden nog nooit verklaarde ernstige aandoeningen is absoluut niet meer te loochenen!
Nu is de ernstige vraag maar:
Beseffen we de geweldige beteekenis van deze dingen wel?!!
Begrijpen we wel terdege, dat het hier het geluk van de gezondheid van duizenden geldt?!!
Dringt het tot ons door, dat vele van de meest ontzettende kwalen die ons teisteren en waaraan zoovele reeds jeugdig sterven, anderen weer in de kracht van hun leven worden geveld, voorkomen kunnen worden?!!
't Is waar, de massamoorden van 1914 tot nu hebben ons gevoel wat afgestompt. We worden niet meer gegrepen door het felle leed, waarvan we dagelijks lezen. Maar het is dan ook meestal vèr bij ons vandaan.
Maar hier betreft het ons eigen land, onze eigen kinderen, onze eigen ouders en echtgenooten!
O! Laat mij toch op spoed aandringen. Wij mógen niet wachten met een drenkeling uit het water te halen tot de wetenschap klaar is met de analyse van dat water!!!
En ze is nauwelijks met de analyse bezig! Gelukkig schrijft Prof. Dr. F. J. J. Buitendijk in de Telegraaf van 12 Oct. 1937: „Wetenschappelijk is nog niets bewezen, doch wel is er aanleiding exacte proeven te nemen!”
Welnu, hooggeachte Professor, néém dan proeven, snel en exact. Maar geen laboratorium-proeven met een enveloppe met lood en een enveloppe met radium eronder en een kleedje met radium eronder en een kleedje zonder radium eronder in een sfeer van wantrouwen en suggestieve misleiding, waardoor het biologisch veld van den roedelooper verstoord wordt en de kans op vergissingen zóó groot, dat het onmogelijk is en blijven zal hier ooit positieve resultaten te verkrijgen en vooral ook niet met dilettanten roedeloopers, maar proeven, die de zaak waar het om gaat in ééns raken!!
Ten allen tijde ben ik voor U beschikbaar als het deze proeven geldt; laat mij ziekenhuizen onderzoeken, waar veel trombose voorkomt (zooals naar ik hoor o.a. het Roode Kruisziekenhuis te Den Haag) en ook andere, waar weinig trombose voorkomt, dus proeven zooals ik in Overijssel verrichte. Laat mij U de plaatsen en de bedden aanwijzen, die noodlottig zijn voor de patiënten! Laat mij huizen onderzoeken, zooals in Friesland en zonder kwaal of slaapplaats te weten of te zien toon ik U op den begane grond de „aardstralenbanen”, die de ziekten te voorschijn riepen. Als deze dan precies kloppen met de plaats waar de zieke ligt en altijd sliep, misschien een of twee étages hooger en juist dat lichaamsdeel ziek is, dat in de „stralenbaan” blijkt te liggen, dan hebt ge toch bewijzen en kunt gij overtuigd en welbewust medewerken aan het voorkomen van de zee van ellende, die zoo onnoemelijk velen doet verlangen naar den dood of te vroeg doet sterven!!!!
Reeds overtuigde ik enkele doktoren en verschillende architecten van naam projecteeren geen huis meer alvorens de bouwgrond onderzocht is op „aardstralen”. Maar het is niet GENOEG; want die worden door hun collega's niet voldoende geloofd! Openbare proeven, die de kern der zaak direct raken, kunnen alleen de massa in beweging brengen. Voor zulke proeven bied ik mij aan wáár en zoo vaak ge maar wilt! Gratis en verheugd!!!
Dàn zal wellicht van hooger hand bevolen worden, dat de mogelijkheden worden bestudeerd, op groote schaal de potentiaalverschillen te ontdekken, zooals wij dat met ons veel besproken „Poverni”-apparaat nu reeds in het klein doen.
Dat is het, wat ik met mijn actie poog te bereiken! Geen voordeel of rijkdom voor me zelf, zooals hatelijke critici klakkeloos durven schrijven, maar de gezondheid en het geluk voor mijn medemenschen!
Is de medewerking van hooger hand verkregen, dan zullen er ook meetinstrumenten komen, die de roede vervangen. Reeds meldt Dr. Kritzinger aan Dr. van Dam dat hij bezig is een vloeistof te vervaardigen, welke in de „aardstralenbanen” verkleurt. 't Zou een zegen zijn, want het roedeloopen in verband met „aardstraling” blijkt fnuikend voor de gezondheid van den looper te zijn, vooral voor zijn zenuwgestel, dit ondervind ik aan den lijve.
In het Ned. Tijdschrift voor Geneeskunde van 27 Maart 1937, schrijft Dr. B. v. Tricht te Monte Carlo op blz. 1355 en 1356:
Tenslotte de belangrijke proeven van Wüst en Wimmer. Deze onderzoekers stelden vast, dat de wichelroede niet alleen bepaalde uitslagen toont boven bepaalde substanties, maar ook boven de plaats, waar deze gelegen hebben. Na afwrijving met een doek geven deze uitslag, ook niet boven den gebruikten doek, waaruit zij besluiten, dat men niet te maken heeft met een radio-actief „neerslag”, maar met polarisatie van de oppervlakte of van de gaslaag er boven.
Wüst en Wimmer constateerden verder belangwekkende afschut-effecten. Zoo kan men de wichelroede ongevoelig maken door eenige malen in bepaalde richting om den wichelaar heen te loopen. Een horizontale cirkel, die met de hand boven een substantie beschreven wordt, maakt den wichelaar voor korten tijd ongevoelig voor de naar boven gerichte uitstraling dezer substantie.
De onderzoekers besluiten, dat de mensch middel- en uitgangspunt is van een trillend magnetisch veld, waarvan het bestaan met de wichelroede tot op 3—5 meter in het rond kan worden aangetoond. Daar de voortplantingssnelheid gelijk is aan die waarmede prikkels langs zenuwstammen worden voortgeleid, vermoeden zij, dat het dergelijke magnetische trillingen zijn, die de zenuwfunctie beheerschen en dat dus ten slotte de trillende component van het aardmagnetisme de bron zou kunnen zijn van de zenuwenergie, misschien van het leven zelf.
Terecht zegt Dr. v. Dam dan ook in zijn nabeschouwingen in het Vaderland van 6 Mei 1937:
Gaarne zou ik collega's willen aanraden: Neemt onder de scherpst denkbare contrôle ook eens een proef; laat b.v. een leeg huis onderzoeken, maar eischt niet, dat het roedeloopen een uiterst subtiel werk is, waarop de roedelooper moet instellen; komt hem zoo sceptisch mogelijk, maar welwillend tegemoet; speelt geen verstoppertje met stoffen of apparaten. Leest de ervaring van Wüst en Wimmer: „über den Platz, auf dem ein Stoff gelegen hat, ist noch längere Zeit der dafür charakteristische Ausschlag zu erhalten”, denkt dan ook aan de afscherm-effecten, die kunnen optreden als gij drie keer b.v. om den roedelooper in dezelfde uitstralende stof met de hand een cirkel beschrijft. Doet bij voorkeur de proeven ook niet in een natuurkundig laboratorium, waar uit den aard der zaak allerlei storende invloeden aanwezig kunnen zijn en denkt er ook aan, dat iemand in de nabijheid van den looper, die sterk magnetoïd geladen is (zie F. Moser blz. 905) zeer storend kan werken.
De aarde straalt dus uit en dan is de vraag: heeft die straling invloed op het leven op aarde, heeft ze invloed op den mensch in zijn ruimten en zijn genomen? Mij dunkt, ook dit is in hooge mate waarschijnlijk; het is maar de vraag, of die invloed schadelijk kan zijn. Die vraag, zoo gesteld, zou ik niet gaarne ontkennend beantwoorden. Mogelijk zijn die stralen voor den één indifferent; mogelijk kunnen ze bij een tweede een gunstigen invloed hebben, denk aan de soms gunstige werking van minimale hoeveelheden van een geneesmiddel, maar mogelijk is het ook, dat ze bij een derde misschien ziekte-bevorderenden invloed hebben. Ik mag niet verzwijgen, dat van mijn ervaringen er zeker vele zijn, die in deze richting wijzen.
Waarom bij moeilijke, slepende of onduidelijke ziektegevallen bij mensch of dier, woning of stal niet eens onderzocht?
Alles occultisme? Occultisme, zegt Moser, is: „werdende Wissenschaft, eine Wissenschaft der Zukunft”.
Aardstralen en bouwplannen
Dat deze belangrijke aangelegenheid ook in de bouwwereld veler belangstelling heeft, blijkt uit het volgend artikel in „Cobouw” (Centraal Orgaan van de Bouwwereld) van 12 Juni 1936:
Voor de Vereeniging van ingenieurs en architecten te Weenen hield de ook buiten Oostenrijk bekende Dr. A. Mannlicher een lezing over bovengenoemd thema, waarin hij o.m. zei: De aardstralen zijn te beschouwen als uitgaan van energie, die van bepaalde plaatsen van den bodem uitgaan en die waarschijnlijk als verschijningsvorm van de z.g. achtste natuurkracht kunnen worden beschouwd. Het wezen dezer kracht kan weliswaar nog niet voldoende worden gevat, doch aan de aanwezigheid ervan wordt niet meer getwijfeld. De stralen ontstaan door verschillende onderaardsche gevallen, vooral door onder druk staande onderaardsche wateraderen. De projecties van deze laatste op het aard-oppervlak worden prikkelstrooken genoemd, welker verticale uitstralingen tot de hoogste verdiepingen van gebouwen, zelfs nog hooger reiken, hetgeen door feiten is bewezen. Het gaat dus om een naar boven gerichte kracht en de uitstralingen daarvan, ongeveer als bij de zwaartekracht en magnetisme, terwijl b.v. warmte- en lichtstralen zich naar alle richtingen op gelijke wijze kunnen verspreiden. Tot het vaststellen van deze prikkelstrooken naar ligging, richting en breedte kan ook de prikkelsterkte bepaald worden. Deze aardstralen-prikkels van een bepaalde minimumsterkte opwaarts, kunnen bij hen, die daarvoor gevoelig zijn, bij jarenlang oponthoud op zulke plaatsen leiden tot kanker, hetgeen door onweerlegbaar wetenschappelijk onderzoek in Duitschland is geconstateerd.
Dat er zulke prikkelstrooken zijn, is eigenlijk iets, dat reeds lang bekend is. Elke tuinman weet, dat op bepaalde plaatsen van den aardbodem vele planten absoluut niet willen gedijen; ook mijden runderen en paarden bepaalde punten in de weiden als rustplaats, terwijl andere dieren als katten, mieren en bijen ze met voorliefde opzoeken. Men kan zich daarom gemakkelijk voorstellen, dat de plaatsen van den bodem, waarop bepaalde boomsoorten regelmatig dood gaan, van nadeeligen invloed kunnen zijn op het welzijn van mensch en dier. Het is daarbij interessant, hoe in het bewustzijn van vele volken hetzelfde verschijnsel merkbaar is. Zoo hebben b.v. de Chineezen reeds voor duizenden jaren het onderzoek van een gebouw afhankelijk gemaakt van het onderzoek van een bouwgrondwaarzegger, wiens taak het was na te gaan of er zich ter plaatse ook booze geesten ophielden. In onzen tijd zou in de plaats van dezen waarzegger de wetenschappelijk geschoolde roedelooper kunnen treden, die het terrein naar voor de gezondheid schadelijke prikkelstrooken zou moeten afzoeken.
Op grond van deze kennis zou het daarom geboden zijn het stichten van bouwwerken afhankelijk te stellen van de aanwezigheid van prikkelstrooken. Bij vrijstaande gebouwen zou het gemakkelijk zijn de schadelijke zône te ontwijken, waarmede tevens een goede bescherming tegen bliksemgevaar zou worden verkregen. Doch ook in dicht bebouwde gebieden kan men schadelijke plekken vermijden, wanneer men bij het maken van het plan voor de slaapkamers afwijkt van de door straling gevaarlijke zône en daarboven trappenhuis, vestibule of andere ongeschikte ruimten projecteert. Zoo blijkt het aardstralenonderzoek een ruim en nuttig gebied, dat er toe kan bijdragen de bevolking gezonde woningen te verschaffen en voor ziekten te beschermen.
Wat is de invloed en beteekenis van de z.g.n. „Aardstralen”?
In het Geneeskundig Tijdschrift „Aesculaap” van 15 Juni 1939 schrijft de bekende arts en publicist Dr. J. DE GROOT Sr. het volgende:
In de laatste jaren hebben de zgn. „aardstralen” meer en meer de aandacht en de belangstelling van de geneeskundigen getrokken. In het bijzonder in de artikelen, die collega Van Dam te Rauwerd daarover heeft gepubliceerd, o.a. ten vorigen jare in de „Vox medicorum” is het onderwerp voor de Nederlandsche geneeskundigen niet onbekend meer. De meesten hunner zijn, zooals tegenover alle nieuwigheden op geneeskundig gebied, zeer sceptisch gestemd.
Wij zullen niet ingaan op de vraag, wat die „aardstralen” eigenlijk zijn, of men ze als teruggekaatste cosmische stralen moet beschouwen, dan wel als een straling, ontstaan en opgewekt in de aarde zelf. Evenmin zullen wij de vraag bespreken of, en zoo ja, welk verband er bestaat tusschen deze straling en de werking van ons zenuwstelsel. Genoeg zij het, dat tegenwoordig wel onomstootelijk vaststaat, dat van de zgn. „aardstralen” invloed kan uitgaan op den gezondheidstoestand van menschen, dieren en planten.
De aandacht van Dr. Van Dam is op dit onderwerp gevestigd, doordat hij zich reeds jaren lang had bezig gehouden met het vraagstuk van het ontstaan van den kanker. Het is hem, evengoed als ons allen, bekend, dat men niet kan spreken van één, van de oorzaak van het ontstaan van kanker. Men zoekt en moet zoeken naar alles wat op het ontstaan van deze kwaadaardige woekeringen van invloed kan zijn. Evenals bij talrijke andere ziekelijke afwijkingen, is er sprake van bepaalden familiairen of erfelijken aanleg van het individu.
Dat stofwisselingsstoringen in verband met de voeding van invloed zijn op het ontstaan van kanker, staat ook wel vast. De ongunstige invloed van vetmesten van den patiënt is vrij algemeen bekend. Over het „Krebsfeindliche” dieet volgens Freund schreef Joh. Kretz, die er op wees, dat speciaal dierlijke vetten een schadelijken invloed hebben, hetgeen werd bevestigd door de proeven, die Waterman in 1936 in het kankerinstituut nam met „geteerde” muizen.
Dan heeft o.a. Van Calcar erop gewezen, dat de sterfte aan kanker (evenals die aan suikerziekte en verhoogden bloeddruk) niet toeneemt door toename van de kwaadaardigheid van de directe oorzaak, maar dat de praedispositie voor ziekten toeneemt door afname van het psychisch weerstandsvermogen bij velen.
Het is niet onmogelijk, ja hoogstwaarschijnlijk te achten, dat door het blootgesteld zijn aan aardstralen, het weerstandsvermogen niet alleen ten opzichte van het ontstaan van kanker vermindert, maar ook ten opzichte van het ontstaan van verschillende andere ziekelijke afwijkingen, als trombose, rheumatiek, enz., waarop, zooals door feillooze proeven onomstootelijk is bewezen, het blootgesteld zijn aan de aardstralen van invloed is.
Indien ik nu niets anders had mee te deelen dan het bovenstaande, zou ik kunnen volstaan met te verwijzen naar wat in het binnen- en buitenland betreffende dit vraagstuk is gepubliceerd. Ik kan evenwel mijn persoonlijke ervaring op dit gebied daaraan toevoegen.
Ik ben in het algemeen niet zeer „geloovig”, en bovendien zeer critisch van aanleg. Men zal dus begrijpen, dat van een gelooven op gezag bij mij geen sprake is. Er is meer noodig geweest om mij te overtuigen van den invloed en de beteekenis voor onze gezondheid van de aardstralen.
Ik heb de laatste jaren de gewoonte gevolgd, dagelijks aanteekening te houden van mijn lichamelijke en geestelijke verschijnselen. Daardoor, en door een nauwkeurig waarnemen en onderscheiden ben ik tot de ontdekking gekomen van den invloed van de aardstralen op mijn gezondheidstoestand. Sedert 7½ jaar woon ik in een flatgebouw, de eerste 5 jaren bewoonde ik echter een andere flat in hetzelfde gebouw dan de laatste 2½ jaar. Gedurende deze laatste periode ben ik in toenemende mate gaan lijden aan bezwaren, waarvan ik vóór dien tijd geen last had. Deze bestaan in een zeer hinderlijke vermoeidheid, gepaard met een bekend gevoel overdag met buitengewoon sterke neiging tot slapen, waardoor ik sterk belemmerd in mijn geestelijke bezigheden. En daarbij werd ik 's nachts gekweld door een voortdurende onrust, waarbij ik wel sliep, maar in geen enkele houding rust kon vinden, gepaard met frequente zeer vermoeiende droomen, terwijl ik voor het opstaan steeds sterke neiging had tot slapen. Wanneer ik ten slotte mijn slaapkamer en badkamer had verlaten en daarna rustig aan mijn schrijftafel zat, voelde ik mij weer goed. Bovendien had ik geconstateerd, dat in de laatste 2½ jaar èn mijn gezicht èn mijn gehoor (althans éénzijdig) minder waren geworden. En eindelijk constateerde ik sclerotische veranderingen aan de uitwendige arteriën. Ik twijfel er niet aan, of al deze verschijnselen houden met elkaar verband.
Ik kwam er nu toe, in mijn woning een onderzoek op de aanwezigheid van aardstralen te doen instellen. Dit werd verricht door den zeer deskundigen en zeer ervaren heer Mieremet. En wat kwam daarbij aan het licht? In mijn slaapkamer en badkamer liep een bundel van vrij sterke intensiteit van voor naar achter, in mijn woonkamer eveneens, doch daar bleek de plaats, waar mijn schrijfbureau staat, vrij te zijn. En bovendien werden beide bundels door een nog sterkeren bundel. De kruisingen bevonden zich in mijn badkamer en op een plaats, waar ik mij slechts weinig behoef op te houden.
Na deze bevinding stelde ik er prijs op te weten, hoe de toestand was in de flat, die ik vroeger bewoonde. Daar bleek niet alleen de kamer en de plaats, waar indertijd mijn bed stond, vrij van aardstraling te zijn, maar in geen enkele kamer was daarvan iets te bespeuren. Het bejaarde echtpaar, dat daar thans woont, is, sedert het deze flat betrok, volmaakt gezond.
Daar afdoende verplaatsing van mijn meubelen niet mogelijk was en verhuizing uitgesloten, was de aangewezen weg om in den toestand verbetering te brengen, het plaatsen van een apparaat, waardoor de potentiaalverschillen der stralen genivelleerd worden. Dergelijke apparaten zijn o.a. op vele plaatsen gebleken afdoende te zijn bij plaatsing in veestallen. En het resultaat is eenvoudig verbluffend geweest. Mijn nachtrust werd veel beter en (wat het zwaarste weegt) de voortdurende moeheid en beklemdheid en sterke neiging tot slapen, die mij zoozeer kwelden, zijn geheel geweken. Het spreekt wel vanzelf, dat ik niet kon verwachten organische afwijkingen, voor zoover die ontstaan zijn, hiermee tevens te zien verdwijnen.
Men denke nu niet, dat er alleen sprake is van een afgenomen prikkelbaarheid van mijn zenuwstelsel, want in mijn vorige flat heb ik wel, soms in hevige mate, last gehad van allergische verschijnselen, waarover ik een en ander heb gepubliceerd in de „Geneesk. Gids” van 1934. Nos. 32, 33 en 34.
Met deze mededeeling beoog ik de aandacht van alle collega's te vestigen op de groote beteekenis van den invloed van de aardstralen op den gezondheidstoestand van den mensch, in het belang van de aan hun zorgen toevertrouwde zieken.
Ook de volgende verklaring spreekt voor zichzelf.
Groningen, 28 October 1938.
Geachte Heer Mieremet,
Gaarne verklaar ik, dat nu ongeveer een jaar geleden zoowel door den Heer Bolt *) als den Heer Mieremet, geheel onafhankelijk van elkaar en onder de strengste waarborgen dat de een niets van het onderzoek van den ander wist, mijn huis onderzocht werd op aardstralen.
Beide Heeren vonden op afzonderlijke plattegronden precies dezelfde bestralingen en constateerden beiden bij elk bed de kwaal waaraan hij of zij, die in dat bed sliep, moest lijden.
Na plaatsing van een apparaat trad direct verbetering in. Reeds denzelfden nacht sliep mijn jongste dochtertje, die dikwijls uit bed viel en daartoe een breede plank voor het bed kreeg geplaatst, voor het eerst rustig en gedurende dit geheele jaar is dit zoo gebleven.
De ervaringen van mijn gezin en die van de meer dan 10 vrienden en kennissen die op mijn aanraden een apparaat aanschaften, zijn mij een voldoende bewijs voor de juistheid van de aardstralen-theorie en ik kan ieder aanbevelen, een proef te nemen. Men zal daarvan nimmer berouw hebben.
w.g. D. G. BARKMEIJER, Mr. A. F. de Savornin Lohmanlaan 9, Groningen.
*) De Heer P. Bolt te Groningen is een zeer begaafd collega-roedelooper, die bovendien door mij persoonlijk werd opgeleid. (J.G.M.)
Het vee: Rauwerd en Mantgum
Bij den veehouder Hotsma te Rauwerd werden door den Heer Mieremet twee boxen aangewezen, waarin de koeien ziek moesten worden en verder nog twee naast elkaar, de eene onbestraald, de andere vrij zwaar bestraald; er was geen vee op stal. Bij navraag bleek, dat in de eerste twee boxen de koeien altijd ziek waren, in de onbestraalde box was een varken met biggen geweest; toen de jonge biggen meer ruimte moesten hebben, had de boer een afscheiding verwijderd, de biggen, die op de onbestraalde box bij de moeder-zeug bleven, zijn gezond gebleven, die in de bestraalde box zijn dood gegaan.
Indien een boer een varken, dat biggen moet, vrij laat om in de schuur een plaats uit te zoeken, dan wordt altijd een onbestraalde plaats uitgezocht! Conclusie: varkens zijn toch zoo dom niet als ze er uit zien (dat tref je bij menschen ook wel eens aan). In de schuur bleef M. staan op een plaats bij het z.g. hooivak, zeggende: hier hebt U zeker nooit vee staan, vooral voor jonge dieren is het hier een slechte plaats. En toen zei de boer: Wel... hoe kunt U dat weten, het vorige voorjaar had ik op die plaats eenige mooie jonge kalveren gezet en een dag of tien later waren ze alle dood en niemand kon mij zeggen, waaraan ze gestorven waren. In den volgenden herfst werd een ontstralingsapparaat geplaatst en het volgend voorjaar had hij een heele rij gezonde kalveren!
(Dr. v. Dam in Vox Medicorum.)
Veehouder De Groot te Mantgum was op zijn vorige plaats bekend door zijn eerste klasse vee; spoedig na zijn komst op de plaats begonnen de koeien de slechter uit te zien, van jaar tot jaar gingen ze iederen winter achteruit in melk- en vetproductie, ze verloren haar glans en er kwam veel vroegtijdige abortus voor, zonder dat ooit Bangsche bact. werden gevonden.
De veeartsenijkundige dienst stond hier voor een raadsel, alles werd onderzocht, maar zonder resultaat. Bij onderzoek door den Heer Mieremet, waarbij tegenwoordig waren: Dr. Veenbaas, Directeur van den Gezondheidsdienst voor vee in Friesland; veearts Hofstra en de beide medici Dr. J. van Dam en Dr. Zillinger Molenaar, bleken nagenoeg alle boxen zwaar bestraald. Om nu uit te maken of de oorzaak in den bodem zou kunnen zitten, werden 3 dieren uit logeeren gezonden en vervangen door 3 uit een onbestraalden stal; de logées werden op de meest bestraalde plaatsen geplaatst, met het gevolg, dat de eerste koe na 14 dagen abortus kreeg, de tweede, die 6 weken drachtig was, brak op en alle drie daalden sterk in melkproductie en kwamen in slechte conditie; bij de andere 3 trad in geringe mate eenig herstel op.
(Daar 't vlak voor weidetijd was, duurde deze logeerproef maar 'n paar weken.)
Bangsche bacillen werden bij de logées niet gevonden.
Hoewel de veehouder er niet veel verwachting van had, werd 13 Maart 1937 een z.g. ontstralingsapparaat geplaatst; de eerste indruk in den korten tijd, die er nog overbleef vóór weidetijd, was dat er toch wel eenige verbetering kwam, b.v. een koe, die op een zwaar bestraalde plaats stond en vaak hevig transpireerde en zeer onrustig was, zweette niet meer en is rustig geworden.
Tot vóór 13 Maart waren de ziekteverschijnselen bij het vee steeds als in vorige winters erger geworden. Wat zou de volgende staltijd brengen?
Tot 10 Nov. zijn de koeien overdag in de weide gebleven, toen zijn ze alle op stal gekomen; er zijn op tijd 8 kalveren geboren en die zijn gezond opgegroeid; van de vroegere ziekteverschijnselen werd niets gezien!

Daar sedert dien tijd het vee gezond bleef en bij de stierenkeuring te Leeuwarden weer enkele beesten werden bekroond, heeft boer De Groot, uit erkentelijkheid voor hetgeen de Heer Mieremet en het apparaat „POVERNI” verricht hebben, een der stieren „MIEREMET” gedoopt.
In het Tijdschrift „De Boerderij” van Woensdag 31 Mei 1939 kwamen opnamen van de bekroonde dieren voor, waaronder ook de onderstaande, die wij voor de curiositeit overgenomen hebben.
Mieremet no. 24510, 1b-prijs in rubr.: tweejarige stieren, geb. 31 Jan. '37, op Centrale Stierenkeuring te Leeuwarden. V.: Bertus 19215 (preferent). Productie M. als 8 j.: 4734 kg m., 3.81 % v., 196 kg b.v. in 267 d.; V.M. als 5.10 j.: 5314 kg m., 4.41 % v., 257 kg b.v. in 327 d.; M.M. als 3.10 j.: 5150 kg m., 3.85 % v., 217 kg b.v. in 315 d. Fokk.-eig.: E. S. de Groot, Mantgum.
